Medicijn van loonmatiging is uitgewerkt

Voor het outsourcen van werk zijn verschillende redenen. Maar één reden stond en staat bovenaan: de lage lonen in andere landen. Daardoor kunnen bedrijven goedkoper produceren en beter concurreren. 

Loonmatiging jaren ‘80

Het vertrek van de maakindustrie uit ons land leidde in de jaren tachtig tot hoge werkloosheid. En tot een breed besef dat onze lonen misschien wel te hoog waren. In ons polderlandschap kwamen werknemers, werkgevers en overheid overeen de lonen te matigen. Dat was toen een adequaat medicijn. Maar hoe lang moeten we dat medicijn nog slikken? En werkt het medicijn nog wel na dertig jaar? Wordt het niet tijd de lonen eens flink te verhogen?

Niet als het aan de werkgevers ligt. Werkgeversorganisatie VNO wil zelfs een loonstop voor de hele economie. Niet als het aan de regering ligt. Ambtenaren, onderwijzers en politie staan al jaren op de nullijn en het kabinet wil dat nog vier jaar volhouden. En de economen? Die zijn als vanouds verdeeld over de vraag of de economie gebaat is bij loonmatiging of juist bij loonsverhoging.

Tegen loonmatiging

Tegenstanders van loonmatiging zeggen dat dit ten koste gaat van innovatie en arbeidsproductiviteit. En dat loonmatiging de economische groei remt omdat de binnenlandse consumptie achterblijft. Tot de tegenstanders hoort ook het economisch bureau van de Rabobank dat al jaren betoogt dat wij moeten afkicken van onze verslaving aan loonmatiging.

Er is volgens de tegenstanders geen enkel argument om de lonen te matigen:

  • De concurrentiekracht van het bedrijfsleven is sterk.
  • De export bereikt record op record.
  • Het handelsoverschot is 7,5 procent van het bbp.
  • Het overschot op de betalingsbalans is 14 procent van het bbp.
  • De winstgevendheid van het bedrijfsleven is relatief sterk.

Achterblijvende lonen

De stagnerende economie komt, volgens de tegenstanders, doordat we te weinig uitgeven en investeren. En dat we te weinig uitgeven komt door de opgebouwde schulden, de onzekerheid onder consumenten en de verlaagde koopkracht. Sinds 2001 zijn de reële lonen nauwelijks gestegen en de laatste jaren blijven de lonen achter bij de inflatie. In totaal is de loonmatiging sindsdien ruim 10 procent. Werknemers hebben dus minder te besteden. En dat treft vooral de onderkant van de arbeidsmarkt en de middenklasse waar ook de lastenverzwaringen het hardst aankomen.

Ten slotte is loonmatiging slecht voor de staatskas. Door de lage lonen krijgt de overheid minder inkomstenbelasting. Daardoor moet de overheid bezuinigen of de belastingen verplaatsen naar vermogen of consumptie.

Loonmatiging sinds de jaren tachtig

In de jaren tachtig was de inflatie hoog. Het viel niet langer vol te houden om de lonen automatisch mee te laten stijgen met de prijsontwikkeling. Nederlandse producten werden daardoor te duur. Hierdoor konden bedrijven nauwelijks winst maken en dus ook niet investeren. Gevolg was dat de werkloosheid toenam en de import de export oversteeg. Aan de ongebreidelde loonsverhogingen kwam een einde met het Akkoord van Wassenaar in 1982: werkgevers en werknemers spraken af de lonen te matigen en de overheid beloofde de lasten te verlichten. Sindsdien wordt dit medicijn bij elke dip in de economie voorgeschreven. Dat gebeurde in 1987, 1993, 1998, 2003, 2008 en in 2011. Maar inmiddels is er vrijwel geen sprake van inflatie. En daarmee vervalt de werking van loonmatiging.

Delen:



x

Meld je aan voor de maandelijkse nieuwsbrief

Blijf up-to-date met het laatste nieuws over de inzet van expertise. Vul hier uw e-mailadres in.